24 februari 2020

In gesprek met Thom Terwee, voorzitter van ALO Nederland.

Thom Terwee, voorzitter ALO Nederland: ‘We moeten als beroepsgroep duidelijker maken wat onze toegevoegde waarde is’.

Wij gingen in gesprek met Thom Terwee, manager ALO Amsterdam en voorzitter ALO Nederland. We stelden hem een aantal belangrijke vragen die de positie van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs aangaan.
Iedereen zegt belang te hechten aan de gezondheid van zijn of haar leerlingen, echter wordt niet altijd de daad bij het woord gevoegd. Thom: ‘In mijn optiek mengt de gymleraar zich veel te weinig in dit debat. We moeten als beroepsgroep duidelijker maken wat onze toegevoegde waarde is’. Lees de rest van het interview hieronder. 

 

STREVEN NAAR EEN MEER DYNAMISCHE SCHOOLDAG

Wat is volgens jou de status en positie van het bewegingsonderwijs op de Nederlandse basisscholen?

Deze vraag  is niet gemakkelijk te beantwoorden. Dit verschilt per regio/gemeente, per schoolbestuur en zelfs per schooldirecteur. Allereerst wil ik opmerken dat ik het onbegrijpelijk vind dat een gezonde lichamelijke ontwikkeling van kinderen nauwelijks vastligt in het onderwijs. Ik wil niet zeggen dat meer bewegingsonderwijs de oplossing voor alle gezondheidsproblemen is, maar de vrijblijvendheid waarmee scholen nu keuzes kunnen maken baart mij zorgen.

Als je je realiseert dat 100 procent van de kinderen in Nederland op de basisschool (of speciaal onderwijs) zit, dan zou je voor de ontwikkeling van basismotorische vaardigheden veronderstellen dat alle kinderen van een ALO-opgeleide vakleerkracht bewegingsonderwijs krijgen, tenminste twee keer per week. De kinderen leren beter bewegen, gaan bewegen leuker vinden, ontdekken hun (beweeg)identiteit, leren samenwerken en leren spelen. Kinderen blijven als effect daarvan langer actief via buiten spelen en sport.

 

Helaas is dit niet het geval en zie je dat er in sommige regio’s niet eens een vakleerkracht is, dat de gymles is verworden tot 45 minuten vrij spelen of ‘iets met een bal’, waarbij de leerkracht in spijkerbroek staat en waarbij het basisdocument en/of een vakwerkplan niet wordt gebruikt en er dus geen sprake is van enig leereffect.
Aan de andere kant zijn er weer hele mooie en succesvolle voorbeelden van scholen waar bewegen en bewegingsonderwijs een duidelijke plek hebben, bijvoorbeeld door een sportprofiel of zelfs in de profilering van de school. Ik denk bijvoorbeeld aan scholen in de gemeente Amsterdam en Almere. Er is nog wel werk aan de winkel en de ALO Amsterdam denkt hier graag in mee. Dit geldt overigens ook voor de andere ALO’s in hu regio.

Als je aan een willekeurige directeur/schoolleider van een basisschool vraagt of hij/zij belang hecht aan de gezondheid van zijn of haar leerlingen. Dan wordt dit meestal volmondig met ‘ja’ beantwoord. Echter zien wij dat een overgroot deel niet de daad bij het woord voegt. Herken jij dit beeld en wat is jouw kijk hierop?

Ja dit herken ik, zoals ook in het vorige antwoord beschreven. In mijn optiek mengt de gymleraar zich veel te weinig in dit debat. Dit geldt overigens ook voor de ALO’s. Hierin vind ik dat we ons veel meer vanuit onze rol als beweegexpert en ambassadeur van een gezonde ontwikkeling voor alle kinderen moeten opstellen. Het begint wat mij betreft met de ‘muren van de gymzaal omlaaghalen’. We moeten als beroepsgroep duidelijker maken wat onze toegevoegde waarde is. We hebben nogal eens de neiging om ons te verstoppen in de gymzaal terwijl bewegen ook in de school of op het schoolplein plaatsvindt. Als we onze toegevoegde waarde beter zichtbaar maken in de buitenwereld, kan een schoolleider niet om deze professional heen. Hierbij nog de belangrijke toevoeging dat gezondheid een gevolg is van voldoende beweging en een gezonde leefstijl. Het belangrijkste doel van bewegingsonderwijs is dat kinderen beter leren bewegen!

 

Vind je dat de rol van de gymdocent in de afgelopen jaren is veranderd en waarom is dat zo volgens jou?

Jazeker, ieder beroep verandert door de jaren heen. De kinderen veranderen, de samenleving verandert en dus moet een (vak)leerkracht ook veranderen. Dit geldt ook voor bewegingsonderwijs. Je ziet dat kinderen steeds minder van nature buiten spelen en buiten leren spelen. De verleiding van tv, tablet en games zijn te groot geworden. Er is een bepaalde groep kinderen die voldoende beweegt, op school, buiten en in de sportvereniging. Maar helaas zie je dat een steeds groter wordende groep niet genoeg beweegt en bewegen ook niet leuk vindt, waardoor ene motorische achterstand ontstaat. Dit herstelt helaas niet meer vanzelf.

 

Het onderwijs in het algemeen moet inspringen op deze groeiende kloof. Er is meer samenwerking nodig tussen verschillende disciplines / domeinen (groepsleerkracht – vakleerkracht – IB-er en mogelijk verwijzing naar andere zorg/steun). In mijn beleving doorloopt ieder kind zijn/haar eigen ontwikkelpad, de basisschool is doorgaans niet genoeg ingericht om te voldoen aan deze individuele paden. Dan heb ik het nog niet eens over het bewegen zelf in het dagelijks leven van kinderen. De verstening van de stad en de inrichting van de openbare ruimte is niet uitdagend voor ieder kind en dat maakt het voor kinderen ook lastiger om vrij te bewegen en te spelen. Er ontstaat nieuwe beweegvormen en spellen. Dit vraagt veranderkracht, creativiteit en vakmanschap van de vakleerkrachten, hier moeten de leerkrachten op inspringen om aan te sluiten bij de beleefwereld van kinderen.

Daarnaast kunnen we inspringen op de toegenomen aandacht voor leerlingvolgsystemen. Ook bewegingsonderwijs is een domein waar leerontwikkelingen en leereffect gemeten moeten worden. Niet per se om te scoren, maar vooral om de ontwikkeling van een kind zichtbaar te maken. Indirect meet je daarmee ook het effect van de lessen bewegingsonderwijs en kan de professional vanuit deze evaluatie zijn lessen aanpassen. Naar mijn idee belangrijke argumenten waarom ieder kind op de basisschool les moet krijgen van een ALO opgeleide vakman of vakvrouw.

 

Hoe gaat het bewegingsonderwijs er volgens jou uitzien in de toekomst?

Ik hoop dat bewegen en spelen steeds meer geïntegreerd worden in en om de school en in een dynamische schooldag. Een extra uur gym levert relatief weinig op als je op andere plekken in de dag niet structureel bewegen integreert. Hierbij stel ik mij dan een mix van bewegingsonderwijs en bewegingsactiviteiten voor. Daarbij past dan ook bewegend leren bijvoorbeeld in de klas.

Het is vooral van belang dat we de ontwikkeling van een kind centraal gaan stellen en daaromheen met de verschillende experts/professionals nadenken hoe we een schooldag of schoolweek goed kunnen inrichten. De inrichting van de ruimte zou dan de laatste pijler zijn. Momenteel ia de gymzaal traditioneel ingericht, vaak vanuit sportactiviteiten (volleybal, basketbal, turnen…).

 

Terwijl de grondmotorische vaardigheden (of basic movement skills) of leerlijnen om een andere, meer experimentele inrichting vragen. Ditzelfde geldt voor het schoolplein: op bijna alle scholen in Nederland is dit een sluitpost waar nog wat speeltoestellen worden geplaatst. Een gemiste kans!

Er zijn al flink wat initiatieven waarbij je een beweegruimte zo kunt inrichten dat verschillende doelgroepen o verschillende niveaus kunnen bewegen. In Almere heeft de gemeente in samenwerking met ASM een schitterende Skillgarden gemaakt. Op dit moment zijn we met de gemeente Amsterdam en ASM in gesprek om voor onze faculteit in Nieuw-West een vergelijkbare Skillgarden te plaatsen. Dit wordt in 2020 gerealiseerd. En dan de inrichting van de school zelf: met relatief kleine aanpassingen kan je een klaslokaal of gang slimmer inrichten, zodat kinderen automatisch uitgedaagd worden om te bewegen.

Simpele gedachte: ‘als je kinderen op sokken door de gang laat lopen, oefenen ze automatisch balanceren/glijden’!

 

Op welke vlakken zou je leerlingen nog meer kunnen toetsen op hun ontwikkeling omtrent lichamelijke opvoeding en hoe zou dat er in de toekomst uit komen te zien?

Daar heb ik net ook wat over gezegd. Toetsen an sich vind ik een lastig thema. Als je de individuele ontwikkeling van een kind centraal stelt, is het van belang dat je kunt meten hoe deze ontwikkeling verloopt. Hiervoor zijn verschillende testen ontwikkeld. Volgens mij prima testen met verschillende voor- en nadelen. Het is in mijn optiek van belang dat je als vakman met een kind en/of de groepsleerkracht in gesprek kunt gaan om de ontwikkeling te bespreken. En om in tweede instantie uitdagende vervolgstappen te bespreken. Het kan ook voorkomen dat een kind een achterstand heeft, dan heeft de vakleerkracht een signalerende en mogelijk een verwijzende rol. De vakleerkracht bewegingsonderwijs is een hbo-opgeleide 1e-graads bevoegde leerkracht. Deze professional moet in staat zijn om de leeropbrengst van zijn lessen zichtbaar te maken. Niet alleen om leerlingen te volgen en te begeleiden, maar juist ook om zijn eigen lessen (interventies) te evalueren en mogelijk aan te passen.

 

 

Welke ontwikkelingsaspecten zou je idealiter willen zien binnen het bewegingsonderwijs? Dus welke ontwikkelingsparameters zou je in beeld moeten hebben als gymdocent?

Die vraag kan ik niet beantwoorden. We leren onze studenten juist om een keuze te maken voor een instrument dat past bij de doelen die je stelt. Dit kan per school/stichting verschillen. Het past bij het beoordelingsvermogen van een leerkracht om een mening te vormen en een keuze te maken. Gezien de doelen die we met de lessen bewegingsonderwijs moeten halen, is het nodig dat vakleerkrachten meer dan alleen de motorische vaardigheden volgen (en meten). Ook samenwerken, motivatie, regelvaardigheden, reflexieve en communicatieve vaardigheden moeten worden aangeleerd, in het leerlingvolgsysteem genoteerd, aan kinderen en ouders gerapporteerd worden.

 

Als jij morgen één ding binnen het bewegingsonderwijs per direct zou mogen vervangen, wat zou dit dan zijn?

Ik zou er per direct voor zorgen dat een schooldag dynamisch wordt. Meer bewegen invoeren op verschillende momenten van de dag, soms georganiseerd en soms vrij spelend. Waarbij de vakleerkracht een belangrijke rol heeft in de stimulans, aansturing en organisatie van bewegen en waarbij verschillende experts meewerken aan de uitvoering van deze activiteiten. We zullen er dan achter komen dat onze scholen en schoolpleinen helemaal niet voldoen aan deze opdracht, waardoor ook hier een ontwikkeling zal ontstaan. Maar ook zie ik voor me dat we in het curriculum van de ALO’s meer gebruikmaken van inzichten uit praktijkgericht onderzoek en meer inspelen op de vraag vanuit de maatschappij. Naar mijn idee kunnen we er alleen op deze manier voor zorgen dat al onze kinderen op hun eigen wijze meer gaan bewegen en spelen en dat zij bewegen ook weer leuk gaan vinden.

 

Meer artikelen

Belang van buiten spelen voor motorische ontwikkeling

Belang van buiten spelen voor motorische ontwikkeling

Naar buiten?! Maar het is zo koud….Hoe vaak hoor je kinderen dit niet zeggen? Veel te vaak, dus daar moet iets aan veranderen!   Buiten spelen is erg belangrijk voor de gezondheid en het welzijn van kinderen. Kinderen die meer buiten spelen, zijn...

Lees meer
Effect van vakantie op fitheid

Effect van vakantie op fitheid

Merk jij ook altijd verschil in gedrag van kinderen wanneer ze net terugkomen van vakantie?Eerst zitten ze vol adrenaline, omdat ze een hoop bij te praten hebben, maar vervolgens zakt de energie behoorlijk. De fitheid van kinderen is achteruit gegaan. Waar...

Lees meer
Kom jij ons team versterken?

Kom jij ons team versterken?

Bekijk onze vacatures en kom werken bij MQ Scan!  Vacature Sales Accountmanager Sport en Onderwijs  Ben jij op zoek naar een commerciële baan waarmee je een grote maatschappelijke bijdrage levert aan de fitheid en gezondheid van kinderen? Heb je affiniteit...

Lees meer

Zet de MQ Scan in!

Vraag geheel vrijblijvend informatie aan voor jouw school, schoolbestuur of gemeente.  

Contact

Adres:
Hendrik Figeeweg 1C
2031 BJ Haarlem

Interesse of vragen MQ Scan?
Neem contact op met team MQ:
info@mqscan.nl of (+31) 023 3036808 

 

Meld je aan en blijf op de hoogte